ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder (Aandachtstekort en Hyperactiviteit Stoornis) en is een definitie van problematisch ongeconcentreerd, hyperactief en impulsief gedrag. ADHD wordt geclassificeerd met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), het handboek waarin psychiatrische stoornissen gedefinieerd staan. In 2013 kwam de vijfde versie van dit handboek uit. Volgens de DSM-5 komt een kind in aanmerking voor de classificatie ADHD als hij of zij aan zes van de negen criteria voor aandachtsproblemen en/of aan zes van de negen criteria voor hyperactiviteit/impulsiviteit voldoet. Daarnaast moeten de gedragingen interfereren met het sociale en schoolse functioneren, voor het twaalfde jaar aanwezig zijn, voorkomen in twee of meer settingen en niet beter verklaard kunnen worden door een andere psychiatrische stoornis. Ten opzichte van de DSM-IV zijn de criteria verruimd, zodat er sinds 2013 meer kinderen in de categorie ADHD passen. Evenzo verruimde de DSM-IV in 1994 de criteria ten opzichte van de DSM-III-r (1987), door subtypes te definiëren en ADHD-classificaties mogelijk te maken als er alleen sprake was van aandachtsproblemen, of alleen sprake van problematische hyperactiviteit en impulsiviteit. Na deze verruiming was er een toename zichtbaar in het aantal meisjes dat de diagnose ADD – van het subtype aandachtsproblemen zonder hyperactiviteit – kreeg.

Voor psychiatrische problematiek bestaan geen objectieve diagnostische testen. Je kunt ADHD niet zien op een hersenscan of in het bloed van mensen. We baseren ons op de definities in de DSM, en die zijn rekbaar. In de gedragscriteria van ADHD staat bijvoorbeeld zeventien van de achttien keer het woordje ‘vaak’ (in de Engelse versie staat zelfs in alle achttien criteria het woordje ‘often’): ‘lijkt vaak niet te luisteren’, ‘zit vaak te friemelen’. Maar hoe vaak vaak is, staat niet in de DSM beschreven en wordt overgelaten aan degene die het gedrag beoordeelt. Ook het criterium ‘de gedragingen interfereren met het sociale en schoolse functioneren’ zal door verschillende mensen verschillend opgevat worden. Een kind dat zevens en achten haalt op school, maar zonder zijn rusteloosheid mogelijk negens of tienen zou scoren, voldoet volgens de ene professional wel en volgens de andere professional niet aan het genoemde criterium.